Slider Travel

We gingen kamperen op een tropisch onbewoond eiland pt. II


The return of the krab

Na de cliffhanger van vorige week waar de schrijvers van GTST jaloers op zijn (je moet een beetje kunnen overdrijven, wil je het overleven op een tropisch onbewoond eiland), zijn we terug met deel twee. De krabben hebben gelukkig tóch niet onze ogen opgegeten en we gaan vrolijk verder op het onbewoonde paradijs. Alhoewel ‘vrolijk’, de bliksem die we daar hebben meegemaakt is dood- en doodeng.

 

Artikel gaat hieronder verder

 

 

Zou James Cook ook zo hebben afgezien toen hij de eilandengroep in de Grote Oceaan tweehonderdvijftig jaar geleden ontdekte? Ruim honderd jaar eerder hadden de Nederlanders al voet op het Australische continent gezet, maar de Britse ontdekkingsreiziger slaagde erin om de nog niet eerder in kaart gebrachte oostkust van ‘New Holland’ als eerste te verkennen – en te claimen. Omdat de HMS Endeavour op de archipel van 74 eilanden op eerste Pinksterdag (Whitsunday in het Engels) stuitte, noemde Cook ze heel toepasselijk de Whitsunday Islands – niet beseffend dat het lokale tijd al tweede Pinksterdag was.

Ik ben slecht op de hoogte van de Britse maritieme mode van 1770, maar captain Cook zal zich vast niet in een felblauw broekje en een snorkel vastgebonden aan zijn hoofd ter vermaak in het water hebben laten zakken. Het is inmiddels twaalf uur en de zon staat loodrecht op de evenaar. Hoe je je naast snorkelen op een onbewoond eiland waar het vijfendertig graden is, en tijd een hol begrip, kunt vermaken? Geen gekke vraag. Minstens twee uur dood ik door met het flinterdunne, maagdelijk witte zand mijn gezicht te scrubben en, geïnspireerd door Tom Hanks in Castaway, mijn eigen altijd goedgehumeurde Wilson in het zand te tekenen. Rond de klok van drie uur bereikt de kunst van het tijddoden een hoogtepunt: dan ontdek ik hoe fijn mijn luchtwegen aanvoelen als ik het zilte zeewater via mijn neus opsnuif.

Maar dan wordt ons eiland ineens gekoloniseerd door andere beschavingen. Eerst de contouren van mensen met flessen champagne op luxueuze catamarans, daarna de vliegende toestellen met drijvers onder hun ijzeren buiken. Dan ook het meest ultieme kwaad: de gigantische dagjescruises. Vanonder onze lommerrijke rotspartij krijgen we een kosteloze demonstratie vakantieleed voorgeschoteld. In zes keer heen en weer varen met een kleinere ferry spugen de passagiersschepen tweehonderd man tegelijkertijd uit voor een spoedbezoekje tropisch eiland, waar het trouwens nog altijd zo verschroeiend heet is dat het merendeel meteen de schaduw opzoekt. Een klein, krap uurtje waarin een leger naar zonnebrand riekende toeristen in stinger suites (de oceaan herbergt de nare irukandji, een nagelgrote kwal) boven het kwetsbare rif rondspartelen, vriendjes foto’s maken van hun opgedirkte Instagram-vriendinnetjes en Aziaten, boerend en gorgelend, je ogen uitsteken met zonneparapluutjes.

Gelukkig loopt het eiland aan het einde van de middag langzaam leeg, wordt ze geleidelijk aan weer van ons. En ook de temperatuur is aangenamer, al is het maar een beetje. Op het kookstel dat we van het vasteland hebben meegekregen, bereiden we wraps met gerookte kip en kool. Heel veel tijd om te eten, is er alleen niet. Overdag is het zo verschrikkelijk heet geweest dat de lucht haar ventieltje openzet. In drie happen tijd en twee slokken bier zien we de lucht van blauw naar paars naar roze en oranje en weer andersom veranderen, tot ze op onheilspellend paars blijft steken en een duivels wolkendek onze kant op stuurt. Bij de tweede wrap barst een regenbui los die al onze spullen, inclusief toiletpapier, in amper vijf minuten via een stroompje op de grond samen met de stoffige ondergrond meesleurt.

Onze dag op een onbewoond eiland eindigt om half 8 onder de wol, of beter gezegd: onder een laag aluminium, zwetend in een lekkende binnentent verlicht door bliksemschichten.

De volgende morgen wanneer de landingsboot – ‘ergens tussen 8 en 10’ – ons oppikt, ligt het strand er verwaaid bij. Het witte, zijdezachte zand is een dikke, caramelbruine drab geworden en ook de bomen waaraan ik eerder in mijn hangmat hing, huilen van ellende. Verwaaid, verward, verwoest, doorweekt, met hier en daar in een tak een stukje klef toiletpapier.

Of we lekker hebben geslapen, iets van de storm hebben meegekregen, lacht de kapitein sadistisch op de terugweg. Niet dat het op het vasteland veel anders is geweest, dat niet. Ook daar is het onrustig geweest, is er in een enkele nacht meer regen gevallen dan in de afgelopen weken. In de boot trouwens geen Britse vriendinnen. Die zijn, je weet het niet, elkaar misschien in de haren gevlogen, verteerd door de jungle of, zoals James Cook jaren na zijn verkenning van de oostkust, gedood door inboorlingen.

Kamperen op een tropisch eiland. Echt een keertje doen.

Ook kamperen op een onbewoond eiland in Australië?

Het concept is simpel: je zoekt via Whitsunday Camping  je favoriete eiland uit en boekt een ‘overnachting’. Voor een nacht op Whitehaven Beach of Chance Bay, waar wij sliepen, betaal je 155 Australische dollar (ongeveer 100 euro), maar een instapeilandje als South Mole Island heb je al voor AUD 65. Geen zin om zelf spullen mee te nemen: voor 40 dollar extra huur je een tent en toebehoren (vraag nadrukkelijk om een slaapzak). De landingsboot Scamper brengt je vanaf het vasteland naar jouw eiland-voor-een-nacht (of twee, drie).

Om bij de Whitsunday Islands te komen vlieg je eerst met Cathay Pacific naar Cairns, waarna je, als je nog iets meer van de staat Queensland wilt zien, de camper naar het zuiden pakt. Voor meer informatie over de Whitsunday Islands check deze website.

Instagram